Arzt

noun
arts, dokter
A1

Arzt betekent ‘arts’ of ‘dokter’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Arzt; de vrouwelijke vorm is Ärztin. Meervoud: Ärzte, met umlaut (a → ä). Veelgebruikte uitdrukkingen zijn zum Arzt gehen en beim Arzt sein, met zu/beim + datief.

Voorbeelden

Sie will als Ärztin arbeiten.
Ze wil als arts werken.
Die Familie rief den Arzt, weil die Mutter starke Schmerzen hatte.
Het gezin belde de dokter, omdat de moeder hevige pijn had.
Der Arzt untersuchte den Patienten.
De arts onderzocht de patiënt.

Details

MeervoudÄrzte

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Arztdie Ärzte
genitivedes Arztesder Ärzte
dativedem Arztden Ärzten
accusativeden Arztdie Ärzte

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een arts in een witte jas met een stethoscoop voor.
⚧️der (mannelijk) — ‘der Arzt’ (mannelijke arts); de vrouwelijke vorm is ‘die Ärztin’.

Opmerkingen

Mannelijke basisvorm ‘Arzt’; de vrouwelijke beroepsvorm is ‘Ärztin’.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek