noun
ergernis, boosheid
B1
Ärger is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent vooral ‘ergernis’, ‘boosheid’ of ‘gedoe/probleem’. Meestal onbepaald telbaar: der Ärger, genitief des Ärgers; meervoud is zeldzaam. Vaak in uitdrukkingen als Ärger haben of Ärger mit jemandem.
Voorbeelden
Sein Verhalten hat großen Ärger verursacht.
Zijn gedrag veroorzaakte veel woede.
Mein Chef macht mir viel Ärger.
Mijn baas bezorgt me veel problemen.
Der Nachbar verursachte Ärger, weil er die Ruhezeit nicht beachtete, sodass die Gemeinde einschreiten musste.
De buurman veroorzaakte problemen omdat hij de rusttijden niet in acht nam, waardoor de gemeente moest ingrijpen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je stoom voor die uit iemands hoofd komt om te laten zien dat die vol « Ärger » zit.
der Ärger — denk aan ‘der’ als een zware deur die dichtslaat van woede.
Opmerkingen
Vaak gebruikt als een niet-telbaar/massawoord (veel « Ärger »). Meervoudsgebruik is zeldzaam; de context bepaalt vaak of het telbaar is. | Alleen enkelvoudig zelfstandig naamwoord; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.