noun
apotheek
A2
Apotheke betekent ‘apotheek’: de plaats waar medicijnen worden verkocht en advies wordt gegeven. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Apotheke, meervoud die Apotheken. Regelmatige verbuiging. Voorbeelden: in der Apotheke, zur Apotheke.
Voorbeelden
Die Nachbarin erzählte, dass sie gestern in der Apotheke Medizin holte, weil die Tabletten ausgegangen waren.
De buurvrouw vertelde dat ze gisteren medicijnen bij de apotheek had gehaald omdat de tabletten op waren.
Ich muss zur Apotheke, um Medizin zu kaufen.
Ik moet naar de apotheek om medicijnen te kopen.
Die Apotheke ist sonntags geschlossen.
De apotheek is op zondag gesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een etalage voor met een rood kruis en medicijnrekken — dat is een „Apotheke”.
die Apotheke — stel je een vrouwelijke apotheker voor die je begroet (die).
Opmerkingen
In het Duits geven apotheken ook advies; „Apotheke” is vrouwelijk.