noun
pak, kostuum
A2
Anzug is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Anzug, meervoud die Anzüge. Het betekent meestal ‘pak’; in sommige contexten ook ‘jasje’ of ‘colbert’. Verbuigt regelmatig: des Anzugs, dem Anzug, den Anzug. Meestal gaat het om een bij elkaar passend pak voor formele gelegenheden.
Voorbeelden
Er trägt einen schwarzen Anzug zur Arbeit.
Hij draagt een zwart pak naar zijn werk.
Er hat zur Hochzeit einen dunklen Anzug getragen.
Hij droeg een donker pak naar de bruiloft.
Der Anzug sitzt perfekt und sieht elegant aus.
Het pak zit perfect en ziet er elegant uit.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een man in een pak voor — de «Anzug» bedekt hem van enkels tot nek.
der Anzug — stel je een mannelijk paspop voor in het pak (der).
Opmerkingen
Meervoud vaak «Anzüge». Veel gebruikt in formele kledingcontexten.