noun
medicijn, medicatie
A2
Medikament (o.) betekent ‘medicijn’ of ‘geneesmiddel’, meestal een concreet preparaat. Meervoud: Medikamente. Onzijdig zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging. In tegenstelling tot Medizin is het telbaar: ein Medikament. Veel gebruikt in apotheek- en medische context; vaak met einnehmen en verschreiben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Medikament muss dreimal täglich eingenommen werden.
Het medicijn moet drie keer per dag worden ingenomen.
Dieses Medikament hat mir sehr gut geholfen.
Dit medicijn heeft me heel goed geholpen.
Für dieses Medikament müssen Sie fünf Euro dazu zahlen.
Voor dit medicijn moet u vijf euro extra betalen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een pillenflesje met het label ‘Medikament’ en een rood kruis
klinkt als Engels ‘medical’ — denk aan ‘medikament’ als een medische stof
das Medikament — stel je een neutrale witte pil voor (onzijdig = das)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onzijdig zelfstandig naamwoord. Genitief enkelvoud vaak met -s (des Medikaments).