adjective
aanwezig, present, in de zaal
B1
anwesend is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘aanwezig’ of ‘present’. Het kan predicatief staan: Er ist anwesend, en attributief: anwesende Personen. Tegenovergestelde: abwesend. Trapvormen: anwesender, am anwesendsten. Veel gebruikt in formele situaties.
Voorbeelden
Nur wenige Gäste waren anwesend.
Er waren maar weinig gasten aanwezig.
Obwohl nicht alle Teilnehmer anwesend waren, begann die Sitzung pünktlich.
Hoewel niet alle deelnemers aanwezig waren, begon de vergadering op tijd.
Alle Schüler waren heute anwesend.
Alle leerlingen waren vandaag aanwezig.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een presentielijst voor met mensen die staan terwijl de leraar «anwesend» zegt wanneer ze er zijn.
Klinkt een beetje als «on well-send» — stel je iemand op een lijst voor die als aanwezig wordt verzonden.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt om fysieke aanwezigheid op vergaderingen, lessen of evenementen te beschrijven. Het is in context gradueel (bijv. «volledig aanwezig» wordt zelden gebruikt).