abwesend

adjective
afwezig, niet aanwezig
B1

abwesend is een bijvoeglijk naamwoord en betekent „afwezig, niet aanwezig”. Tegenovergestelde: anwesend. Het is trapbaar: abwesender, am abwesendsten. Meestal predicatief gebruikt: er ist abwesend. Veel voorkomend in school-, vergadering- en administratieve context.

Voorbeelden

Der Schüler war abwesend, weil er sich am Morgen krank gefühlt hatte.
De leerling was afwezig omdat hij zich 's ochtends ziek had gevoeld.
Der Lehrer ist heute abwesend.
De leraar is vandaag afwezig.
Mehrere Mitglieder waren bei der Sitzung abwesend.
Meerdere leden waren afwezig bij de vergadering.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapabwesender
Overschrijvende trapam abwesendsten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een lege stoel voor met het label 'absent' en een klein 'ab'-stickertje om te laten zien dat iemand weg is.
👂Klinkt als 'ab-when-sent' — iemand is weg wanneer hij gestuurd is.

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt om mensen te beschrijven die niet aanwezig zijn bij een evenement of op een plaats. Kan predicatief gebruikt worden (Er ist abwesend) en attributief (ein abwesender Schüler), hoewel attributief gebruik minder vaak voorkomt.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek