verb
toepassen, gebruiken, aanwenden
B1
anwenden is een scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘toepassen’ of ‘gebruiken’. Het is transitief en staat vaak in de constructie etwas auf etwas anwenden: iets op iets toepassen (Akk.). Hulpwerkwoord: haben. Gemengd werkwoord met twee voltooide deelwoorden: angewandt / angewendet. Veel gebruikt in techniek en dagelijks taalgebruik.
Voorbeelden
Der Techniker wandte das neue Verfahren an, weil die alte Methode versagte.
De technicus paste de nieuwe procedure toe omdat de oude methode faalde.
Sie wandte die neue Methode an.
Zij paste de nieuwe methode toe.
Er hat die Regeln richtig angewendet.
Hij paste de regels correct toe.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een pleister aanbrengt: je „past” de pleister toe op het oppervlak.
Klinkt als „and wend in” — stel je voor dat je iets naar binnen wendt om het te gebruiken.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel „an” zich af (bijv. „er wendet das Mittel an”). Het voltooid deelwoord heeft twee gangbare vormen: „angewandt” en „angewendet”. Neemt meestal „haben” als hulpwerkwoord.