anwenden

verb
toepassen, gebruiken, aanwenden
B1

anwenden is een scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘toepassen’ of ‘gebruiken’. Het is transitief en staat vaak in de constructie etwas auf etwas anwenden: iets op iets toepassen (Akk.). Hulpwerkwoord: haben. Gemengd werkwoord met twee voltooide deelwoorden: angewandt / angewendet. Veel gebruikt in techniek en dagelijks taalgebruik.

Voorbeelden

Der Techniker wandte das neue Verfahren an, weil die alte Methode versagte.
De technicus paste de nieuwe procedure toe omdat de oude methode faalde.
Sie wandte die neue Methode an.
Zij paste de nieuwe methode toe.
Er hat die Regeln richtig angewendet.
Hij paste de regels correct toe.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypemixed
StamveranderingenNo regular vowel alternation in present; two common past participles: 'angewandt' and 'angewendet'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wendet an
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wendete an
Perfekter/sie/es hat angewandt/angewendet

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je een pleister aanbrengt: je „past” de pleister toe op het oppervlak.
👂Klinkt als „and wend in” — stel je voor dat je iets naar binnen wendt om het te gebruiken.

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel „an” zich af (bijv. „er wendet das Mittel an”). Het voltooid deelwoord heeft twee gangbare vormen: „angewandt” en „angewendet”. Neemt meestal „haben” als hulpwerkwoord.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichwende an
duwendest an
er/sie/eswendet an
wirwenden an
ihrwendet an
sie/Siewenden an
ichwerde angewandt/angewendet
duwirst angewandt/angewendet
er/sie/eswird angewandt/angewendet
wirwerden angewandt/angewendet
ihrwerdet angewandt/angewendet
sie/Siewerden angewandt/angewendet
ichwende an
duwendest an
er/sie/eswende an
wirwenden an
ihrwendet an
sie/Siewenden an
ichwerde angewandt/angewendet
duwerdest angewandt/angewendet
er/sie/eswerde angewandt/angewendet
wirwerden angewandt/angewendet
ihrwerdet angewandt/angewendet
sie/Siewerden angewandt/angewendet
ichwürde anwenden
duwürdest anwenden
er/sie/eswürde anwenden
wirwürden anwenden
ihrwürdet anwenden
sie/Siewürden anwenden
ichwürde angewandt/angewendet
duwürdest angewandt/angewendet
er/sie/eswürde angewandt/angewendet
wirwürden angewandt/angewendet
ihrwürdet angewandt/angewendet
sie/Siewürden angewandt/angewendet
duWende an!
ihrWendet an!
SieWenden Sie an!