adjective
alledaags, alledaags, gewoon
B1
alltäglich betekent alledaags, gewoon of banaal. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: alltäglicher, am alltäglichsten. Je gebruikt het attributief en predicatief voor routine, gewoonte of iets onopvallends. Veelvoorkomend in alledaagse taal.
Voorbeelden
Er erledigt viele alltägliche Aufgaben.
Hij voert veel alledaagse taken uit.
Für sie sind solche Probleme ganz alltäglich.
Voor haar zijn zulke problemen heel gewoon.
Die Veranstaltung, die alltäglich wirkte, bekam dennoch großes Interesse, weil bekannte Redner angekündigt wurden.
Het evenement, dat alledaags leek, kreeg toch veel belangstelling omdat bekende sprekers waren aangekondigd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kalender voor waarin elke dag hetzelfde grijze vakje is — die gelijkheid is «alltäglich».
Klinkt als «all today» — denk aan dingen die elke dag gebeuren.
Opmerkingen
Wordt zowel attributief als predicatief gebruikt; vergelijkbaar met «täglich», maar «alltäglich» benadrukt meer de alledaagsheid of het gebrek aan nieuwigheid.