ängstlich

adjective
angstig, bezorgd
B1

ängstlich is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘angstig’, ‘bang’ of ‘schuw’. Vergelijkend: ängstlicher; overtreffend: am ängstlichsten. Het wordt attributief en predicatief gebruikt. Vaak met vor + datief om de oorzaak van de angst aan te geven.

Voorbeelden

Er war vor dem Interview sehr ängstlich.
Hij was erg angstig voor het interview.
Das Kind wirkte ängstlich und klammerte sich an seine Mutter.
Het kind zag er bang uit en klampte zich vast aan zijn moeder.
Die Patientin war ängstlich, als die Ärztin den Befund erklärte, weil die Nachricht unerwartet gewesen war.
De patiënte was angstig toen de arts de bevindingen uitlegde, omdat het nieuws onverwacht was geweest.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapängstlicher
Overschrijvende trapam ängstlichsten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die zijn borst vasthoudt en bezorgd kijkt — een duidelijk beeld van «ängstlich».
👂Klinkt als ‘angst-lich’ — onthoud dat ‘angst’ = angst, dus ‘ängstlich’ = angstig.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek