noun
angst, vrees
A2
Angst (v.) betekent ‘angst’ of ‘vrees’. Meervoud: Ängste. Het woord staat vaak met vor + datief: Angst vor etwas/jemandem. Het kan zowel een concrete angst als algemene bezorgdheid uitdrukken. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met gewone verbuiging.
Voorbeelden
Ich habe Angst vor Spinnen.
Ik ben bang voor spinnen.
Die Familie zeigte viel Angst, als das Gewitter plötzlich begann.
Het gezin was erg bang toen het onweer plotseling begon.
Seine Angst vor Prüfungen ist sehr stark.
Zijn angst voor examens is heel sterk.
Details
Ezelsbruggetjes
Klinkt als het Engelse „angst” — dezelfde betekenis.
die Angst — stel je een bezorgde vrouw (die) voor die angst uitdrukt.
Opmerkingen
„Angst” is in veel contexten niet-telbaar, maar heeft het meervoud „Ängste” wanneer men over verschillende angsten spreekt.