adverb
samen
A1
zusammen betekent ‘samen’, ‘gezamenlijk’ of ‘tegelijk’. Het is een onveranderlijk bijwoord dat gezamenlijke handelingen of een combinatie aangeeft. Het komt ook vaak voor als scheidbaar voorvoegsel in werkwoorden, zoals zusammenarbeiten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Schüler arbeiteten zusammen, obwohl das Projekt schwierig war.
De leerlingen werkten samen, hoewel het project moeilijk was.
Wir gehen zusammen ins Kino.
We gaan samen naar de bioscoop.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee mensen voor die samen onder één deken zijn dichtgeritst — ze zijn „zusammen” (samen).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelgebruikt bijwoord om aan te geven dat je met anderen bent of iets gezamenlijk doet. Komt vaak voor met werkwoorden van beweging en sociale activiteiten.