noun
getuige, ooggetuige
B1
Zeuge (m.) betekent „getuige”, vooral in juridische of officiële context. Het is een zwak mannelijk zelfstandig naamwoord: der Zeuge, des Zeugen, dem Zeugen, den Zeugen; meervoud: die Zeugen. Vaak gebruikt met aussagen, laden en vernehmen, bv. als Zeuge aussagen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Zeuge hat den Unfall genau beobachtet.
De getuige heeft het ongeluk nauwlettend geobserveerd.
Der Zeuge musste vor Gericht aussagen.
De getuige moest voor de rechtbank getuigen.
Der Zeuge sagte vor Gericht die Wahrheit.
De getuige vertelde de waarheid in de rechtszaal.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een man voor in de rechtszaal achter een klein bordje met „Zeuge”.
Klinkt als „zoy-guh” — stel je een „zoy” (speeltje) voor dat een man is geworden die getuigt.
Der Zeuge — koppel „der” aan een mannelijk persoon (denk aan „der Mann”).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Mannelijk zelfstandig naamwoord dat een getuige aanduidt, meestal een man. Zwak naamwoord: krijgt in verbogen vormen een -n/-en (des Zeugen, dem Zeugen).