noun
certificaat, diploma
B1
Zertifikat betekent ‘certificaat’ of ‘diploma’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Zertifikat; meervoud: die Zertifikate. Je gebruikt het als bewijs van een cursus, vaardigheid of kwalificatie. Regelmatige verbuiging; vaak: ein Zertifikat erhalten, ausstellen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Student bekam das Zertifikat, weil er alle Prüfungen im letzten Semester bestand.
De student kreeg het certificaat omdat hij alle examens in het vorige semester had gehaald.
Nach Abschluss des Kurses erhalten Sie ein Zertifikat.
Na het voltooien van de cursus ontvangt u een certificaat.
Sie hat ein Zertifikat für die Sprachprüfung bekommen.
Ze heeft een certificaat voor het taalexamen gekregen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een papieren certificaat voor met een lint en het stempel 'Zertifikat'.
Lijkt op en klinkt als 'certificate' in het Engels — vergelijkbare wortel.
Das Zertifikat — denk aan een neutraal, levenloos document op een bureau (das).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: Zertifikate. Vaak gebruikt voor officiële of cursusgerelateerde documenten die voltooiing of bekwaamheid bewijzen.