verb
trekken, verhuizen
A2
ziehen betekent vooral ‘trekken’, maar ook ‘verhuizen’ of ‘ergens naartoe gaan’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präteritum zog, Partizip II gezogen. Met een lijdend voorwerp meestal haben; bij beweging zonder object vaak sein: Er ist nach Berlin gezogen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich ziehe die Tür zu.
Ik doe de deur dicht.
Nächsten Monat ziehen sie in eine neue Wohnung.
Volgende maand verhuizen ze naar een nieuw appartement.
Sie ist zu ihrem Freund gezogen.
Ze is bij haar vriend ingetrokken.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een zware kar naar je toe trekt terwijl je ‘ziehen’ zegt
klinkt als ‘zeen’ — stel je voor dat je aan een touw trekt
niet van toepassing
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk werkwoord met stamverandering: zog (Präteritum), gezogen (Partizip II). Kan zowel «haben» als «sein» als hulpwerkwoord nemen, afhankelijk van transitiviteit en betekenis.