Wochenende

noun
weekend
A1

Wochenende betekent ‘weekend’, dus het einde van de week. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Wochenende. Meervoud: die Wochenenden. Vaak zeg je am Wochenende voor ‘in het weekend’; in het meervoud: an den Wochenenden.

Voorbeelden

Am Wochenende habe ich frei.
In het weekend ben ik vrij.
Am Wochenende besuche ich meine Freunde.
In het weekend bezoek ik mijn vrienden.
Als das Wochenende nahte, beschlossen die Kollegen, das Auto zu reparieren, bevor die Reise begann.
Toen het weekend naderde, besloten de collega’s de auto te repareren voordat de reis begon.

Details

MeervoudWochenenden

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Wochenendedie Wochenenden
genitivedes Wochenendesder Wochenenden
dativedem Wochenendeden Wochenenden
accusativedas Wochenendedie Wochenenden

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat vrijdagavond verandert in een feestje om ‘Wochenende’ te onthouden.
⚧️das Wochenende — onzijdig: stel je een neutraal vakje op een kalender voor.

Opmerkingen

Samengesteld uit ‘Woche’ + ‘Ende’. Meervoud: Wochenenden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek