Wecker

noun
wekker, alarmklok
B1

Wecker is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘wekker’ of ‘alarm’. Meervoud: Wecker. Het woord wordt regelmatig verbogen. Veelgebruikte uitdrukking: den Wecker stellen = de wekker zetten.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Wecker hat mich heute nicht geweckt.
De wekker heeft me vandaag niet gewekt.
Der Sohn stellte den Wecker, obwohl die Mutter gesagt hatte, dass er später aufstehen sollte.
De zoon zette de wekker, hoewel de moeder had gezegd dat hij later moest opstaan.
Mein Wecker klingelt jeden Morgen um sechs.
Mijn wekker gaat elke ochtend om zes uur af.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALdie Wecker

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Weckerdie Wecker
genitivedes Weckersder Wecker
dativedem Weckerden Weckern
accusativeden Weckerdie Wecker

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een kleine klok op een nachtkastje voor met het label ‘Wecker’ en rinkellijnen
👂Wecker lijkt een beetje op ‘waker’ — iets dat je wakker maakt
⚧️der Wecker — mannelijk: stel je een mannelijk personage voor dat op de wekker drukt

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wecker is een veelvoorkomend alledaags zelfstandig naamwoord. Het meervoud is meestal «die Wecker».

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS