verb
verdelen, uitdelen, verspreiden
B1
verteilen is een regelmatig, niet-scheidbaar werkwoord met haben. Het betekent ‘verdelen’, ‘uitdelen’ of ‘verspreiden’. Meestal met een direct object: etwas verteilen, soms met ontvanger: an jemanden verteilen. De lijdende vorm komt vaak voor: wird verteilt.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Freiwilligen verteilten die Flyer, nachdem die Organisatoren die Route festgelegt hatten.
De vrijwilligers deelden de flyers uit nadat de organisatoren de route hadden vastgesteld.
Ich habe die Flyer verteilt.
Ik heb de flyers uitgedeeld.
Ich verteile die Karten.
Ik deel de kaarten uit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een persoon voor die flyers gelijkmatig over een tafel verspreidt om «verteilen» te onthouden.
Klinkt als «ver-tegel-en» — stel je voor dat je dingen als tegels over een oppervlak verdeelt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Regelmatig zwak werkwoord. Vaak gebruikt in contexten van delen, logistiek en het uitdelen van fysieke voorwerpen. Gebruikt «haben» in samengestelde tijden.