noun
T-shirt, shirt
A2
T-Shirt is een uit het Engels geleend onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent „T-shirt” of „shirt”. Meervoud: T-Shirts. Het wordt normaal verbogen: das T-Shirt, die T-Shirts. Veelgebruikt alledaags woord, vaak met koppelteken geschreven.
Voorbeelden
Ich trage ein T-Shirt.
Ik draag een T-shirt.
Er trägt heute ein weißes T-Shirt.
Hij draagt vandaag een wit T-shirt.
Der Freund zog seinem Bruder ein neues T-Shirt an, weil dieser sich vor dem Treffen frisch machen wollte.
De vriend trok zijn broer een nieuw T-shirt aan, omdat die zich voor de bijeenkomst wilde opfrissen.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een effen T-shirt met een grote ‘T’ op de borst.
zoals Engels ‘T-shirt’ (hetzelfde woord).
das — denk aan ‘das T-Shirt’ als een neutraal object.
Opmerkingen
Leenwoord uit het Engels; meervoud vaak geschreven als T‑Shirts. In het Duits vaak als onzijdig behandeld.