noun
doek, stof, lap
B1
Tuch is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent afhankelijk van de context ‘doek’, ‘stof’ of ‘sjaal/zakdoek’. Meervoud: Tücher. Genitief enkelvoud: des Tuchs. Let op de umlaut in het meervoud: Tuch → Tücher.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Reinigungskraft polierte die Tafel mit einem Tuch, damit keine Flecken zurückblieben.
De schoonmaker poetste het bord met een doek zodat er geen vlekken achterbleven.
Er deckte den Tisch mit einem weißen Tuch.
Hij dekte de tafel met een wit tafelkleed.
Sie trocknete sich die Hände mit einem sauberen Tuch ab.
Ze droogde haar handen af met een schone doek.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een opgevouwen stuk stof voor (een servet of doek) dat over een tafel hangt.
das — stel je een klein label «das» voor dat in de hoek van een doek is genaaid.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud met umlaut: das Tuch → die Tücher. Veelgebruikt alledaags woord.