adjective
trouw, loyaal, waar, nauwkeurig
B1
treu betekent ‘trouw, loyaal, toegewijd’ en soms ook ‘oprecht’. Vaak in de constructie jemandem treu sein, met datief. Gradabel: treuer, am treuesten. Tegenovergestelde: untreu. Veel gebruikt voor relaties, vrienden en dieren.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Hund ist seinem Besitzer sehr treu.
De hond is zijn eigenaar zeer trouw.
Sie ist eine treue Freundin seit der Schulzeit.
Ze is al sinds de schooltijd een trouwe vriendin.
Der Hund war dem alten Besitzer treu, obwohl die Familie in ein anderes Dorf gezogen war.
De hond bleef trouw aan de oude eigenaar, hoewel het gezin naar een ander dorp was verhuisd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een hart met een ongebroken ketting om loyaliteit en trouw voor te stellen
klinkt als Engels „true” (treu ~ true)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
treu is een trapbaar bijvoeglijk naamwoord (treuer, am treuesten). Het drukt vaak loyaliteit of trouw uit; in sommige contexten kan het ook „nauwkeurig” of „getrouw” betekenen, zoals bij reproducties.