verb
drinken
A1
trinken betekent ‘drinken’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präsens trink-, Präteritum trank, Partizip II getrunken. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Heel gebruikelijk in het dagelijks taalgebruik.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er trank ein Glas Wein.
Hij dronk een glas wijn.
Hast du mit Daniel Kaffee getrunken?
Heb je koffie gedronken met Daniel?
Ich trinke Wasser.
Ik drink water.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een glas optilt om te drinken — label de handeling ‘trinken’.
Denk aan ‘drink’ — ‘trinken’ lijkt op ‘to drink’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk werkwoord met klinkerverandering in de verleden tijd (trank) en onregelmatig voltooid deelwoord (getrunken). De formele gebiedende wijs (Sie) is niet opgenomen in de vervoegingstabel omdat de dataset vereist dat vervoegingswaarden geen persoonlijke voornaamwoorden bevatten; de formele gebiedende wijs bevat noodzakelijkerwijs ‘Sie’, dus die specifieke vorm is in de metadata gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.