trinken

verb
drinken
A1

trinken betekent ‘drinken’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präsens trink-, Präteritum trank, Partizip II getrunken. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Heel gebruikelijk in het dagelijks taalgebruik.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Er trank ein Glas Wein.
Hij dronk een glas wijn.
Hast du mit Daniel Kaffee getrunken?
Heb je koffie gedronken met Daniel?
Ich trinke Wasser.
Ik drink water.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESno present vowel change like e->i for this verb, past vowel a (trank)

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es trinkt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es trank
Perfekter/sie/es hat getrunken

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je iemand voor die een glas optilt om te drinken — label de handeling ‘trinken’.
👂Denk aan ‘drink’ — ‘trinken’ lijkt op ‘to drink’.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Sterk werkwoord met klinkerverandering in de verleden tijd (trank) en onregelmatig voltooid deelwoord (getrunken). De formele gebiedende wijs (Sie) is niet opgenomen in de vervoegingstabel omdat de dataset vereist dat vervoegingswaarden geen persoonlijke voornaamwoorden bevatten; de formele gebiedende wijs bevat noodzakelijkerwijs ‘Sie’, dus die specifieke vorm is in de metadata gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichtrinke
dutrinkst
er/sie/estrinkt
wirtrinken
ihrtrinkt
sie/Sietrinken
ichwerde getrunken
duwirst getrunken
er/sie/eswird getrunken
wirwerden getrunken
ihrwerdet getrunken
sie/Siewerden getrunken
ichtrinke
dutrinkest
er/sie/estrinke
wirtrinken
ihrtrinkt
sie/Sietrinken
ichwerde getrunken
duwerdest getrunken
er/sie/eswerde getrunken
wirwerden getrunken
ihrwerdet getrunken
sie/Siewerden getrunken
ichtränke
dutränkest
er/sie/estränke
wirtränken
ihrtränket
sie/Sietränken
ichwürde getrunken
duwürdest getrunken
er/sie/eswürde getrunken
wirwürden getrunken
ihrwürdet getrunken
sie/Siewürden getrunken
duTrink!
ihrTrinkt!
Sienot applicable