Stein

noun
steen, rots
B1

Stein is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „steen” of, afhankelijk van de context, ook „rots”. Meervoud: Steine. Genitief enkelvoud: des Steins. Het woord komt veel voor in het dagelijks taalgebruik, in de bouw en in samenstellingen zoals Edelstein. Ook figuurlijk gebruik is mogelijk.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Wanderer stolperte über einen Stein, obwohl die Markierung deutlich war, und verletzte sich am Knöchel.
De wandelaar struikelde over een steen, hoewel de markering duidelijk was, en verwondde zijn enkel.
Der Stein ist schwer.
De steen is zwaar.
Am Strand sammelte sie bunte Steine.
Ze verzamelde kleurrijke stenen op het strand.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALSteine

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Steindie Steine
genitivedes Steinsder Steine
dativedem Steinden Steinen
accusativeden Steindie Steine

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een enkele grijze steen op een pad voor waar je overheen stapt.
👂klinkt als ‘stine’ (rijmt op ‘line’).
⚧️Der = mannelijk. Stel je een man voor die de steen vasthoudt: ‘der Stein’.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Het meervoud is Steine. Veelvoorkomende samenstellingen zijn onder andere «Edelstein» (edelsteen) en «Steinbruch» (steengroeve). Het verkleinwoord is «Steinchen».

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS