noun
schip, boot, vaartuig
A2
Schiff betekent „schip” of „boot”, meestal een groter vaartuig dan Boot. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Schiff; meervoud: die Schiffe. Regelmatige verbuiging: des Schiffes, dem Schiff, den Schiffen. Veel gebruikt in zeevaart- en vervoerscontexten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Schiff legt morgen im Hafen ab.
Het schip vertrekt morgen uit de haven.
Die Hafenarbeiter inspizierten das Schiff, bevor es in See stach.
De havenarbeiders inspecteerden het schip voordat het uitvoer.
Wir fahren mit dem Boot, aber das große Schiff bleibt im Hafen.
We gaan met de boot, maar het grote schip blijft in de haven.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je een schip voor met een ‘shift’ van zeilen — ‘Schiff’ = schip
das (onzijdig) — stel je een klein modelschip in een doos voor met het label ‘das Schiff’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Das Schiff is onzijdig. Het meervoud is «Schiffe».