verb
roepen, bellen, schreeuwen
A2
rufen betekent ‘roepen’, ‘schreeuwen’ of ‘iemand oproepen’. Het is een sterk, niet-wederkerig werkwoord met haben in het perfekt: hat gerufen. De verleden tijd is rief, het voltooid deelwoord gerufen. Je gebruikt het voor iemand roepen of hard schreeuwen, zonder vaste prepositie.
Voorbeelden
Hast du mich gerufen?
Heb je me geroepen?
Der Lehrer rief laut, weil die Schüler nicht aufpassten.
De leraar riep hard omdat de leerlingen niet oplette.
Ich habe dich angerufen.
Ik heb je gebeld.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die zijn handen als een megafoon gebruikt en over een veld roept.
Klinkt als het Engelse «roof-in» — stel je voor dat iemand van het dak af roept.
Opmerkingen
Onregelmatig werkwoord: klinkerwisseling in de verleden tijd (rief) en het voltooid deelwoord (gerufen).