noun
spier
B1
Muskel betekent „spier”: het lichaamsweefsel dat zorgt voor beweging en kracht. Mannelijk: der Muskel, meervoud die Muskeln. Genitief enkelvoud: des Muskels. Regelmatige verbuiging. Veel gebruikt in anatomie, geneeskunde en sport, bijvoorbeeld in Muskelaufbau.
Voorbeelden
Durch regelmäßiges Training hat er starke Muskeln bekommen.
Door regelmatige training heeft hij sterke spieren gekregen.
Beim Training hat er einen Muskel gezerrt.
Hij heeft tijdens de training een spier verrekt.
Der Trainer behandelte den Muskel, weil der Spieler ihn während des Laufs überanstrengte.
De trainer behandelde de spier omdat de speler die tijdens het rennen had overbelast.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een biceps voor die opbolt wanneer iemand gewichten heft — dat is een Muskel.
Klinkt als 'muss-kel' — denk aan 'must (muss) + cell' muscle cell.
Der (mannelijk): stel je een sterke man voor die naar zijn biceps wijst en zegt 'der Muskel'
Opmerkingen
Regelmatig zelfstandig naamwoord; meervoud is 'Muskeln'. Veelgebruikt in anatomie-, sport- en fitnesscontexten.