müssen

verb
moeten, dienen te, verplicht zijn
A1

müssen is een modaal werkwoord en betekent ‘moeten’, ‘dienen te’ of ‘verplicht zijn’. Perfekt: ich habe gemusst. Onregelmatige vormen: ich muss, ihr müsst; verleden tijd: musste. Als modaal werkwoord staat het meestal met een infinitief en heeft het geen eigen passief.

Voorbeelden

Ich musste das tun.
Ik moest dat doen.
Du musst zuerst deine Hausaufgaben machen.
Je moet eerst je huiswerk maken.
Ich muss jeden Morgen früh aufstehen.
Ik moet elke ochtend vroeg opstaan.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypemixed
StamveranderingenUmlaut in present (muss vs müssen). Past stem 'musste'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es muss
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es musste
Perfekter/sie/es hat gemusst

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een checklist voor met een grote rode sticker «MUSS» — iets dat verplicht is.
👂Klinkt als het Engelse «must» (vergelijkbare betekenis van verplichting).

Opmerkingen

Modaal werkwoord dat noodzaak of verplichting uitdrukt. Voltooid deelwoord: «gemusst». De gebiedende wijs in de 2e persoon enkelvoud («du») wordt niet vaak gebruikt; gebruik liever volledige beleefde verzoeken of de «ihr»-vorm bij bevelen. | Modaal werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichmuss
dumusst
er/sie/esmuss
wirmüssen
ihrmüsst
sie/Siemüssen
ichmüsse
dumüssest
er/sie/esmüsse
wirmüssen
ihrmüsset
sie/Siemüssen
ichmüsste
dumüsstest
er/sie/esmüsste
wirmüssten
ihrmüsstet
sie/Siemüssten
dunot applicable
ihrmüsst
Sienot applicable