noun
leerling, stagiair, leerjongen
B1
Lehrling (der) betekent ‘leerling in een beroep’, ‘leerling’ of ‘stagiair in opleiding’. Meervoud: Lehrlinge. Standaard mannelijk; voor vrouwen gebruikt men vaak Auszubildende. Regelmatige verbuiging: des Lehrlings, dem Lehrling.
Voorbeelden
Der Lehrling lernt den Beruf im Betrieb.
De leerling leert het vak in het bedrijf.
Ich bin Lehrling.
Ik ben leerling.
Der Meister gab dem Lehrling mehr Verantwortung, obwohl die Erfahrung des Lehrlings noch gering war.
De meester gaf de leerling meer verantwoordelijkheid, hoewel de ervaring van de leerling nog gering was.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een jong persoon voor die een vak leert aan een werkbank in een werkplaats.
Denk aan ‘learner’ — ‘Lehrling’ begint met ‘lehr-’ zoals ‘learn’.
Der (mannelijk) — stel je een mannelijke leerling met een hamer voor om ‘der Lehrling’ te onthouden.
Opmerkingen
Traditioneel woord voor iemand in een beroepsopleiding; ‘Azubi’ (Auszubildende/r) is een veelgebruikte informele alternatieve term.