Trainer

noun
trainer, coach
B1

Mannelijk zelfstandig naamwoord: „trainer” of „coach”. Vooral in sport en fitness, maar ook in andere opleidingscontexten. Meervoud gelijk aan het enkelvoud: Trainer. Genitief: des Trainers; datief meervoud: den Trainern.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Trainer motiviert die Mannschaft vor dem Spiel.
De trainer motiveert het team voor de wedstrijd.
Der Trainer erklärte den Spielern die Taktik.
De trainer legde de tactiek uit aan de spelers.
Der Verein entließ den Trainer, weil die Mannschaft in jener Saison schlechter spielte.
De club ontsloeg de trainer omdat het team dat seizoen slechter speelde.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTrainer

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Trainerdie Trainer
genitivedes Trainersder Trainer
dativedem Trainerden Trainern
accusativeden Trainerdie Trainer

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een man voor met een fluitje en een klembord langs de zijlijn.
👂Klinkt als het Engelse ‘trainer’.
⚧️der = stel je een mannelijke coach voor die op een fluitje blaast.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wordt vaak gebruikt in sport- en onderwijscontexten. Het meervoud is vaak gelijk aan het enkelvoud: die Trainer. Vrouwelijke vorm: Trainerin.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS