noun
aardappel
B1
Erdapfel (der): regionaal woord voor ‘aardappel’, vooral in Oostenrijk en Zuid-Duitsland. Meervoud: Erdäpfel. Mannelijk zelfstandig naamwoord, normaal verbogen; in standaardduits is Kartoffel gebruikelijker.
Voorbeelden
Die Köchin legte die geschälten Erdapfel in den Topf, weil die Gäste einen traditionellen Eintopf wünschten.
De kokkin deed de geschilde aardappelen in de pot, omdat de gasten een traditionele stoofpot wilden.
Der Bauer hat einen großen Erdapfel geerntet.
De boer oogstte een grote aardappel.
In Österreich nennt man die Kartoffel auch Erdapfel.
In Oostenrijk noemt men de aardappel ook wel ‘Erdapfel’.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een aardappel voor in de vorm van een appel, net onder het grondoppervlak, nog met aarde erop.
Klinkt als 'earth apple' in het Engels — een appel van de aarde = aardappel.
der → denk aan 'der Bauer' (de boer): de boer (der) graaft de Erdapfel op.
Opmerkingen
Erdapfel is een regionaal of ouderwets woord voor aardappel in sommige Duitse dialecten (vooral Oostenrijks/Beiers). Het gebruikelijke standaardwoord is Kartoffel. Gebruik Erdapfel vooral in regionale contexten of historische teksten.