krank

adjective
ziek, ziekelijk
A1

krank betekent ‘ziek’ of ‘ongezond’, zowel lichamelijk als geestelijk. Het is een trapbaar bijvoeglijk naamwoord: kränker, am kränksten. Tegenstelling: gesund. Het verbuigt normaal: eine kranke Frau, ein kranker Mann.

Voorbeelden

Ich bin krank und bleibe heute zu Hause.
Ik ben ziek en blijf vandaag thuis.
Der Schüler blieb zu Hause, weil er krank war.
De leerling bleef thuis omdat hij ziek was.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapkränker
Overschrijvende trapam kränksten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Imaginez quelqu’un au lit avec un thermomètre et une étiquette « KRANK ».
👂Ça ressemble un peu à « crank » — on se sent grincheux quand on est malade.

Opmerkingen

S’emploie pour des personnes qui ne se sentent pas bien. Le comparatif est souvent utilisé dans des contextes médicaux.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek