adjective
normaal, gewoon
A1
normal is een bijvoeglijk naamwoord en betekent „normaal”, „gewoon” of „typisch”. Het is gradabel: normaler, am normalsten. Je gebruikt het predicatief en attributief; het krijgt gewone adjectiefuitgangen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das ist normal.
Dat is normaal.
Der Techniker erklärte, dass das Gerät normal funktionierte, obwohl ein Knopfdruck manchmal ausblieb.
De technicus legde uit dat het apparaat normaal werkte, hoewel een druk op een knop soms geen reactie gaf.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Een rechte lijn in het midden van een grafiek met het label 'normal'
hetzelfde als Engels 'normal' — makkelijk te onthouden