adjective
werkloos, zonder werk
A1
arbeitslos betekent ‘werkloos’ of ‘zonder werk’. Het is een bijvoeglijk naamwoord, gevormd uit Arbeit + -los. Je gebruikt het predicatief en attributief: Er ist arbeitslos. Volgens de gegevens is het niet gradabel. Tegenovergestelde: beschäftigt.
Voorbeelden
Er ist seit drei Monaten arbeitslos.
Hij is al drie maanden werkloos.
Nach der Schließung blieb der Mann arbeitslos, obwohl er sich oft bewarb.
Na de sluiting bleef de man werkloos, hoewel hij vaak solliciteerde.
Viele Leute fühlten sich arbeitslos, nachdem die Firma geschlossen wurde.
Veel mensen voelden zich werkloos nadat het bedrijf was gesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor met een lege aktetas en een grote «X» over een kalender.
Klinkt als Engels «work-less» (geen werk).
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt om mensen zonder baan te beschrijven. Wordt in alledaags taalgebruik meestal niet gebruikt om vergrotende trappen te vormen.