Feiertag

noun
feestdag, vrije dag, officiële feestdag
A1

Feiertag (m.) betekent feestdag of officiële vrije dag, vaak een religieuze of nationale feestdag. Meervoud: die Feiertage. Niet te verwarren met Urlaub, dat ‘vakantie/verlof’ betekent. Verbuigt als een gewoon mannelijk zelfstandig naamwoord: des Feiertags, dem Feiertag.

Voorbeelden

Am Feiertag sind die Geschäfte geschlossen.
Op feestdagen zijn de winkels gesloten.
Der 1. Mai ist ein Feiertag.
1 mei is een feestdag.
Am Feiertag sind die Geschäfte oft geschlossen.
Op feestdagen zijn de winkels vaak gesloten.

Details

MeervoudFeiertage

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Feiertagdie Feiertage
genitivedes Feiertagsder Feiertage
dativedem Feiertagden Feiertagen
accusativeden Feiertagdie Feiertage

Ezelsbruggetjes

👁️mensen die feestvieren op een vrije dag
👂denk aan ‘celebration-day’ — een dag zonder werk
⚧️der (mannelijk) — stel je ‘der Feiertag’ omcirkeld op een kalender voor

Opmerkingen

Verwijst naar officiële of religieuze dagen waarop men vrij is.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek