noun
feestdag, vrije dag, officiële feestdag
A1
Feiertag (m.) betekent feestdag of officiële vrije dag, vaak een religieuze of nationale feestdag. Meervoud: die Feiertage. Niet te verwarren met Urlaub, dat ‘vakantie/verlof’ betekent. Verbuigt als een gewoon mannelijk zelfstandig naamwoord: des Feiertags, dem Feiertag.
Voorbeelden
Am Feiertag sind die Geschäfte geschlossen.
Op feestdagen zijn de winkels gesloten.
Der 1. Mai ist ein Feiertag.
1 mei is een feestdag.
Am Feiertag sind die Geschäfte oft geschlossen.
Op feestdagen zijn de winkels vaak gesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
mensen die feestvieren op een vrije dag
denk aan ‘celebration-day’ — een dag zonder werk
der (mannelijk) — stel je ‘der Feiertag’ omcirkeld op een kalender voor
Opmerkingen
Verwijst naar officiële of religieuze dagen waarop men vrij is.