noun
middag, lunch
A1
Mittag (der) betekent ‘middag’, ‘middaguur’ of soms ‘lunchtijd’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: meervoud Mittage, genitief des Mittags. Vaak met am: am Mittag = rond de middag. Kan zowel het tijdstip als de middagmaaltijd aanduiden.
Voorbeelden
Am Mittag gingen die Mitarbeiter in die Kantine, weil die Kantine frische Suppen servierte.
Rond het middaguur gingen de medewerkers naar de kantine, omdat de kantine verse soepen serveerde.
Zur Mittagszeit ist die Kantine voll.
Rond lunchtijd is de kantine vol.
Der Mittag ist die Zeit fürs Essen.
De middag is de tijd om te eten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klok voor die 12 uur aanwijst met mensen die eten — «Mittag».
Mittag — «mid-day» lijkt op het Engelse midday.
DER Mittag — stel je een mannelijke ober voor die om twaalf uur lunch serveert (mannelijk).
Opmerkingen
Kan afhankelijk van de context «middag» of de lunchmaaltijd betekenen.