Fach

noun
vak, onderwerp, gebied
A2

Fach (o.) betekent vooral ‘schoolvak’ of ‘vakgebied/specialisatie’. Meervoud: Fächer. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Fach, die Fächer. Komt vaak voor in samenstellingen zoals Schulfach, Studienfach en Fachbereich. Afhankelijk van de context kan het ook ‘vakje/compartiment’ betekenen.

Voorbeelden

Ich habe mein Fach verloren.
Ik ben mijn kluisje kwijt.
Mathematik ist mein Lieblingsfach in der Schule.
Wiskunde is mijn favoriete vak op school.
Er arbeitet in einem fachlichen Bereich, der Computertechnik betrifft.
Hij werkt in een vakgebied dat met computertechnologie te maken heeft.

Details

MeervoudFächer

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Fachdie Fächer
genitivedes Fachsder Fächer
dativedem Fachden Fächern
accusativedas Fachdie Fächer

Ezelsbruggetjes

👁️Een plank met gelabelde vakjes voor verschillende vakken.
👂Denk aan ‘fakulty’ -> ‘Fach’ = vak/gebied.
⚧️das — veel korte woorden voor academische vakken zijn onzijdig: das Fach.

Opmerkingen

Meervoud «Fächer» en vaak gebruikt voor schoolvakken of professionele vakgebieden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek