noun
vak, onderwerp, gebied
A2
Fach (o.) betekent vooral ‘schoolvak’ of ‘vakgebied/specialisatie’. Meervoud: Fächer. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Fach, die Fächer. Komt vaak voor in samenstellingen zoals Schulfach, Studienfach en Fachbereich. Afhankelijk van de context kan het ook ‘vakje/compartiment’ betekenen.
Voorbeelden
Ich habe mein Fach verloren.
Ik ben mijn kluisje kwijt.
Mathematik ist mein Lieblingsfach in der Schule.
Wiskunde is mijn favoriete vak op school.
Er arbeitet in einem fachlichen Bereich, der Computertechnik betrifft.
Hij werkt in een vakgebied dat met computertechnologie te maken heeft.
Details
Ezelsbruggetjes
Een plank met gelabelde vakjes voor verschillende vakken.
Denk aan ‘fakulty’ -> ‘Fach’ = vak/gebied.
das — veel korte woorden voor academische vakken zijn onzijdig: das Fach.
Opmerkingen
Meervoud «Fächer» en vaak gebruikt voor schoolvakken of professionele vakgebieden.