noun
ingrediënt
B1
Zutat is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent „ingrediënt”, dus een bestanddeel van een gerecht of mengsel. Meervoud: Zutaten. Het woord komt vooral in kook- en receptentaal voor, vaak in het meervoud. Regelmatige verbuiging: der Zutat, den Zutaten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Koch erklärte, welche Zutat gebraucht wurde, weil das Rezept verbessert werden sollte.
De kok legde uit welk ingrediënt nodig was, omdat het recept verbeterd moest worden.
Diese Zutat fehlt im Rezept.
Dit ingrediënt ontbreekt in het recept.
Ich brauche Zutaten.
Ik heb ingrediënten nodig.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een pot met het label «Zutat» op een keukenplank naast andere ingrediënten
klinkt als «zoo-tat» — stel je een dierentuinverzorger voor die een «ingrediënt» aan een recept toevoegt
Die Zutat — onthoud «die» (vrouwelijk), omdat veel -t-woorden (zoals «Macht», «Nacht») vrouwelijk zijn
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend in recepten en kookcontexten. Het meervoud is «Zutaten». Vaak gebruikt met hoeveelheden (eine Zutat, zwei Zutaten).