noun
kleinzoon, kleinkinderen
B1
Enkel (der) betekent „kleinzoon”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord met meervoud die Enkel, zonder verandering. Genitief enkelvoud: des Enkels. In familieverband komt ook de vrouwelijke vorm Enkelin voor.
Voorbeelden
Mein Enkel besucht mich jedes Wochenende.
Mijn kleinzoon komt me elk weekend bezoeken.
Die Großeltern besuchten ihren Enkel, als er aus dem Krankenhaus entlassen wurde.
De grootouders bezochten hun kleinzoon toen hij uit het ziekenhuis werd ontslagen.
Die Enkel kommen zur Feier am Wochenende.
De kleinkinderen komen dit weekend naar het feest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een grootvader voor die zijn kleine «Enkel» (kleinzoon) op schoot houdt.
«Enkel» lijkt een beetje op «uncle», maar onthoud dat het eigenlijk «kleinzoon» betekent (mannelijk familielid).
Der Enkel — mannelijk; denk aan «der» zoals bij andere -el-woorden (der Vogel, der Apfel).
Opmerkingen
De vorm «Enkel» kan enkelvoud zijn (kleinzoon) of meervoud (kleinkinderen) afhankelijk van de context. Het meervoud is gelijk in nominatief/accusatief.