noun
burcht, kasteel
B1
Burg is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘burcht’, ‘vesting’ of ‘middeleeuws kasteel’ in de verdedigende zin, in tegenstelling tot Schloss. Meervoud: die Burgen. Vaak hoor je auf der Burg of in der Burg. De verbuiging is regelmatig.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Burg auf dem Hügel ist sehr alt.
Het kasteel op de heuvel is heel oud.
Die Touristen besichtigten die Burg, obwohl das Wetter schlecht war.
De toeristen bezochten het kasteel, hoewel het weer slecht was.
Die alte Burg thront auf einem Hügel über der Stadt.
Het oude kasteel torent op een heuvel boven de stad uit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je stenen muren en torens voor op een heuveltop.
burg lijkt op ‘berg’ (heuvel) — denk aan een kasteel op een heuvel.
die (vrouwelijk) — stel je een vrouwelijke schild voor aan de kasteelmuur: ‘die Burg’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een «Burg» is meestal een versterkt middeleeuws kasteel. Meervoud: Burgen.