verb
stinken, vies ruiken
B1
stinken is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent „stinken” of „slecht ruiken”. In de voltooide tijd gebruikt het haben: ich habe gestunken. Verleden tijd: stank; voltooid deelwoord: gestunken. Vaak: es stinkt nach + datief.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Käse stinkt, aber viele Leute finden ihn trotzdem lecker.
De kaas stinkt, maar veel mensen vinden hem toch lekker.
Das Essen hat gestunken.
Het eten stonk.
Das Essen stank so stark, dass viele Gäste das Fenster öffneten.
Het eten stonk zo erg dat veel gasten het raam openden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een groene wolk voor die uit afval opstijgt om een slechte geur te herinneren
klinkt als ‘stink in’ — stel je iets voor dat in een kamer stinkt
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
stinken is een sterk (onregelmatig) werkwoord: präteritum «stank», participium II «gestunken». Het gebruikt het hulpwerkwoord «haben» in samengestelde tijden. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.