noun
bier
A1
Bier betekent „bier”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Bier, meervoud die Biere. Vormen: des Bieres in de genitief en dem Bier in de datief. Het kan telbaar zijn („een bier”) of onbepaald voor de drank in het algemeen.
Voorbeelden
Ein Bier, bitte!
Een bier, alstublieft!
Er bestellte ein Bier, obwohl er wusste, dass er noch fahren musste.
Hij bestelde een biertje, hoewel hij wist dat hij nog moest rijden.
Ein kaltes Bier schmeckt gut.
Een koud biertje smaakt lekker.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een schuimende bierpul voor met «das» op het handvat.
«beer» (Engels) — hetzelfde geluid, makkelijk te onthouden.
das — stel je een neutrale bierpul voor met een klein «das»-stickertje.
Opmerkingen
In het Duits telbaar (ein Bier, zwei Biere). Geslacht: onzijdig (das Bier).