verb
wakker worden
B1
aufwachen betekent „wakker worden”. Het is een scheidbaar werkwoord (auf-wachen), niet wederkerig, en vormt het perfect met sein: ich bin aufgewacht. Het is regelmatig en zwak. Imperatief: Wach auf! Veelgebruikt voor het ontwaken uit slaap.
Voorbeelden
Ich wache jeden Morgen um sieben Uhr auf.
Ik word elke ochtend om zeven uur wakker.
Die Kinder wachten auf, als das Gewitter begann.
De kinderen werden wakker toen het onweer begon.
Er wachte plötzlich auf.
Hij werd plotseling wakker.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand zijn ogen opent en rechtop gaat zitten — de ogen gaan ‘omhoog’ (auf) bij het wakker worden.
Klinkt als ‘off-wah-ken’ — denk aan ‘awake’ (auf ~ ‘up’ + wachen ~ ‘wake’).
Opmerkingen
Onovergankelijk scheidbaar werkwoord. Het voorvoegsel ‘auf’ scheidt in hoofdzin (ich wache um sieben Uhr auf). Het perfectum wordt gevormd met sein: ‘ich bin aufgewacht.’ | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.