noun
arbeider, werker
B1
Arbeiter is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘arbeider’ of ‘werker’, vooral in handwerk of industrie. Lidwoord: der; meervoud: Arbeiter, zonder umlaut en zonder vormverandering. Genitief enkelvoud: des Arbeiters. Vrouwelijke vorm: Arbeiterin.
Voorbeelden
Der Arbeiter repariert die Maschine.
De arbeider repareert de machine.
Der Ingenieur erklärte den Arbeitern die neue Regel, weil die Maschine gefährlich war.
De ingenieur legde de arbeiders de nieuwe regel uit, omdat de machine gevaarlijk was.
Der Arbeiter auf der Baustelle trägt einen Helm.
De arbeider op de bouwplaats draagt een helm.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een bouwvakker voor met een helm en een bordje „Arbeiter” bij de poort.
klinkt als „a bear” + „ter” — stel je een arbeider voor als een sterke beer die gereedschap draagt
der Arbeiter — „der” is mannelijk; denk aan „der” = „papa” om het mannelijke te onthouden
Opmerkingen
Het meervoud „Arbeiter” is in de nominatief gelijk aan het enkelvoud, maar in de datief meervoud wordt vaak -n toegevoegd (Arbeitern). Wordt breed gebruikt voor handarbeiders of industriële arbeiders.