verb
werken
A1
arbeiten betekent „werken”. Het is een regelmatig, zwak werkwoord: Perfekt hat gearbeitet. Niet wederkerend. Vaak gebruikt met an + datief voor een taak (an einem Projekt arbeiten) en met bei + datief voor werkgever of werkplek.
Voorbeelden
Er arbeitete im Garten.
Hij werkte in de tuin.
Wir haben lange gearbeitet.
We hebben lang gewerkt.
Ich arbeite jeden Tag von neun bis fünf.
Ik werk elke dag van negen tot vijf.
Details
Ezelsbruggetjes
Iemand aan een bureau, gefocust op een taak met het label ‘ARBEITEN’.
arbeit-en — denk aan ‘a-bite-en’ (druk bezig zijn).
Opmerkingen
Regelmatig zwak werkwoord. Gebruikt haben in samengestelde tijden. Wordt vaak onovergankelijk en overgankelijk gebruikt. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.