verb
afwassen, spoelen, omspoelen
B1
spülen betekent ‘afwassen’, ‘spoelen’ of ‘doorspoelen’, vooral bij vaat, gootsteen of apparaten. Het is een regelmatig zwak werkwoord: hat gespült. Niet wederkerend en niet scheidbaar. Imperatief: spül!, spült!, Spülen Sie!. Meestal transitief: etwas spülen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe das Geschirr gespült.
Ik heb de afwas gedaan.
Die Reinigungskraft spülte das Geschirr, weil die Gäste Tassen und Teller überall liegenließen.
De schoonmaakster waste de vaat af omdat de gasten overal kopjes en borden hadden laten staan.
Ich spüle das Geschirr nach dem Abendessen.
Ik was de afwas na het avondeten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat water over borden ‘spoelt’ om ze schoon te maken.
Klinkt als ‘spool-en’ — stel je een bord voor dat op een spoel ronddraait om gewassen te worden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelgebruikt huishoudelijk werkwoord. «spülen» is transitief wanneer je borden wast, maar kan ook zonder expliciet object gebruikt worden. In sommige contexten kan het betekenen: doorspoelen (zoals bij een toilet).