noun
trein
A1
Zug betekent vooral ‘trein’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Zug. Meervoud: die Züge. Veelgebruikte uitdrukkingen: mit dem Zug = met de trein, im Zug = in de trein. Verbuiging: der Zug, den Zug, des Zuges, dem Zug. Er zijn ook andere betekenissen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Zug nach München fährt in zehn Minuten.
De trein naar München vertrekt over tien minuten.
Der Zug nach Hamburg fährt um 10:30 Uhr ab.
De trein naar Hamburg vertrekt om 10:30 uur.
Die Reisenden standen am Gleis, obwohl sie die Fahrkarten für den Zug schon Stunden zuvor kauften.
De reizigers stonden op het perron, hoewel ze de treinkaartjes al uren eerder hadden gekocht.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een locomotief die wagons trekt
Zug ~ «zoo(g)» — stel je een trein voor als een lang dier uit de dierentuin
der (mannelijk): stel je een sterke «der»-sticker voor op de voorkant van de trein
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: Züge. Veelgebruikt woord voor spoorvervoer.