verb
naderen, op iemand afgaan, gebeuren, plaatsvinden
B1
zugehen is een scheidbaar werkwoord (zu + gehen) met de betekenissen ‘naderen’ en ‘gebeuren’. Het is sterk en onregelmatig: Präteritum ging, Partizip II zugegangen. Perfect met sein: ich bin zugegangen. Bij ‘naderen’ staat vaak auf.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er ging langsam auf die Gruppe zu.
Hij liep langzaam op de groep af.
Die Tür ging langsam zu.
De deur ging langzaam dicht.
Die Tür geht automatisch zu.
De deur sluit automatisch.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die naar een ander toe loopt en dichterbij komt.
Denk aan ‘to go + in’ — ‘zu’ + ‘gehen’ = naar toe gaan / naderen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak gebruikt als scheidbaar werkwoord in contexten zoals ‘auf jemanden zugehen’ (op iemand afgaan). In voltooide tijden gebruikt het meestal het hulpwerkwoord ‘sein’ (bijv. ‘ist zugegangen’). | Onovergankelijk werkwoord; lijdende vormen zijn niet van toepassing.