Zufall

noun
toeval, samenloop van omstandigheden
B1

Zufall is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘toeval’ of ‘toevallige samenloop’. Meervoud: Zufälle; genitief enkelvoud: des Zufalls. Vaak in uitdrukkingen als durch Zufall en reiner Zufall. Gewone verbuiging, met umlaut in het meervoud.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Es war kein Zufall, dass die Dokumente genau dann auftauchten, als der Anwalt Fragen stellte.
Het was geen toeval dat de documenten precies opdoken toen de advocaat vragen stelde.
Durch Zufall fand sie den verlorenen Ring.
Toevallig vond ze de verloren ring.
Es war ein reiner Zufall, dass wir uns in Berlin wiedergetroffen haben.
Het was puur toeval dat we elkaar weer in Berlijn ontmoetten.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALZufälle

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Zufalldie Zufälle
genitivedes Zufallsder Zufälle
dativedem Zufallden Zufällen
accusativeden Zufalldie Zufälle

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je twee mensen voor die elkaar onverwacht ontmoeten onder een vallend blad — een klein tafereel van toeval.
👂Klinkt als „zoo-fall” — stel je voor dat iets per toeval in beeld valt in de dierentuin.
⚧️der — stel je een man (der) voor die verrast is door een toeval.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Veelvoorkomend zelfstandig naamwoord voor onverwachte gebeurtenissen of geluk. „Zufall” kan afhankelijk van de context zowel „toeval” (mogelijkheid) als „samenloop van omstandigheden” betekenen.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS