noun
suiker
A2
Zucker is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „suiker”. Het is vooral een stofnaam en wordt meestal in het enkelvoud gebruikt. Genitief: des Zuckers, datief: dem Zucker. Vaak met hoeveelheidsuitdrukkingen zoals ein Stück Zucker of etwas Zucker.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Konditorin gab zu viel Zucker in den Teig, sodass der Kuchen sehr süß schmeckte.
De banketbakker deed te veel suiker in het beslag, waardoor de cake erg zoet smaakte.
Ich trinke Kaffee mit Zucker.
Ik drink koffie met suiker.
Ich nehme einen Teelöffel Zucker in meinen Kaffee.
Ik doe een theelepel suiker in mijn koffie.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een pot voor met het label ‘Zucker’, vol witte suiker.
Klinkt als ‘sucker’ — maar denk aan zoet: suiker.
der Zucker — mannelijk; veel voedingsmiddelen kunnen mannelijk zijn.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vaak niet-telbaar. Gebruik maatwoorden (ein Löffel Zucker). | Alleen enkelvoud / niet-telbaar zelfstandig naamwoord; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.