noun
winter
A1
Winter betekent ‘winter’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Winter. Genitief: des Winters; meervoud blijft gelijk: Winter, met datief meervoud den Wintern. Het duidt het koude jaargetijde aan en komt vaak voor in samenstellingen zoals Winterferien.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Im Winter schneit es oft.
In de winter sneeuwt het vaak.
Weil im Winter die Temperaturen sanken, schloss die Firma die Baustelle, damit die Arbeiter sicher waren.
Omdat de temperaturen in de winter daalden, sloot het bedrijf de bouwplaats zodat de arbeiders veilig waren.
Der Winter ist in diesem Jahr sehr kalt.
De winter is dit jaar erg koud.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je sneeuw en kale bomen voor om 'Winter' te zien.
Klinkt als het Engelse 'winter'.
der Winter — denk aan 'der' als in 'de koude man' (mannelijk anker).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud is vaak identiek: die Winter. Gebruikt voor het seizoen en soms figuurlijk.