Winter

noun
winter
A1

Winter betekent ‘winter’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Winter. Genitief: des Winters; meervoud blijft gelijk: Winter, met datief meervoud den Wintern. Het duidt het koude jaargetijde aan en komt vaak voor in samenstellingen zoals Winterferien.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Im Winter schneit es oft.
In de winter sneeuwt het vaak.
Weil im Winter die Temperaturen sanken, schloss die Firma die Baustelle, damit die Arbeiter sicher waren.
Omdat de temperaturen in de winter daalden, sloot het bedrijf de bouwplaats zodat de arbeiders veilig waren.
Der Winter ist in diesem Jahr sehr kalt.
De winter is dit jaar erg koud.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALWinter

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Winterdie Winter
genitivedes Wintersder Winter
dativedem Winterden Wintern
accusativeden Winterdie Winter

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je sneeuw en kale bomen voor om 'Winter' te zien.
👂Klinkt als het Engelse 'winter'.
⚧️der Winter — denk aan 'der' als in 'de koude man' (mannelijk anker).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Meervoud is vaak identiek: die Winter. Gebruikt voor het seizoen en soms figuurlijk.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS